Persuasive communication

Centre for Language Studies | Faculty of Arts | Radboud University Nijmegen

Theoretische interesse

Elke week verschijnt op deze site een bijdrage van één van onze onderzoekers over communicatie in onderzoek en praktijk. Deze week: Anneke de Graaf, over transportatie en zelf-refereren.

In het eerste college van het vak “Fundamenteel onderzoek naar communicatie en beïnvloeding” in het Masterprogramma Communicatie en Beïnvloeding vertel ik mijn studenten dat de term “fundamenteel” in de titel verwijst naar theoretisch georiënteerd onderzoek en dus gericht op uitbreiding van kennis en inzicht op een bepaald gebied zonder direct praktijkgericht doel. Met andere woorden: het is mooi meegenomen als het onderzoek een bijdrage kan leveren aan de praktijk, zoals bijvoorbeeld het verbeteren van  communicatieadviezen, maar dat is niet het centrale doel van het onderzoek. Hoewel wij in onze Master trots zijn op het aandeel van de praktijk waarmee we onze studenten opleiden voor de banen waarin het grootste gedeelte van hen terecht zal komen – wij zijn bijvoorbeeld een van de weinige programma’s met een stage in de Master, waarin praktijkgericht onderzoek wordt uitgevoerd – vind ik het erg belangrijk dat in een universitaire studie ook de waarde van fundamenteel onderzoek naar voren komt. De academische nieuwsgierigheid komt niet altijd voort uit een duidelijk nut of een behoefte aan een oplossing voor een praktijkprobleem. Het is de behoefte aan kennis om de kennis, omdat je wilt weten hoe het zit, of je daar nu direct iets mee kan of niet.

Een van de onderwerpen waar ik me bijvoorbeeld mee bezig houd is het onderliggende proces van overtuiging door verhalen. Nu kan ik daar allerlei praktijkvoordelen bij bedenken, juist omdat gebleken is dat verhalen effectief kunnen zijn in onder andere gezondheidscommunicatie en als je weet hoe deze effecten tot stand komen je dit ook makkelijker kunt beïnvloeden, maar dat is niet waarom ik het wil weten. Ik ben geïnteresseerd in wat er gebeurt als mensen een verhaal lezen en dat is alles. Zo is een proces dat vaak in de literatuur genoemd wordt “transportatie naar de narratieve wereld”. Dit wordt op meerdere verschillende manieren beschreven, van het volledig opgaan in een verhaal tot het richten van je aandacht op het verhaal. Het achterliggende idee is dat als je een verhaal leest je even vergeet wat je zoal bezighield en je vooral met het verhaal bezighoudt. Het lijkt aannemelijk dat hoe meer je getransporteerd bent, hoe meer het verhaal ook invloed op je kan uitoefenen. Maar een ander proces dat recentelijk ook steeds meer onderzocht wordt is “zelf-refereren”. Dit wordt beschreven als het verbanden leggen door de lezer tussen het verhaal en zichzelf. Dus als je bijvoorbeeld een verhaal leest over iemand die ziek is, dan denk je aan een periode dat je zelf ziek was. Ook dit zou kunnen zorgen voor vergrote overtuigingskracht van het verhaal omdat het de beschreven gebeurtenissen herkenbaar maakt.

Maar als je deze processen gaat vergelijken dan zitten er grote verschillen tussen. Als je helemaal getransporteerd bent in een verhaal dan vergeet je jezelf juist omdat je je verplaatst in het verhaal en verwijdert van je dagelijks leven, terwijl bij zelf-refereren je het verhaal aan je eigen leven verbindt en dus ook denkt aan wat je zelf hebt meegemaakt. Het lijkt dus theoretisch zo te zijn dat transportatie en zelf-refereren niet tegelijkertijd kunnen plaatsvinden. Toch is in onderzoek nu regelmatig een positieve correlatie gevonden. Hoe kan dit? Wat is de verklaring van dit theoretisch onwaarschijnlijke resultaat? Dat vind ik nou interessant.

Share this on social networks

Leave a Reply