Persuasive communication

Centre for Language Studies | Faculty of Arts | Radboud University Nijmegen
Nieuwe Media 2

Nieuwe media en onderzoek in de CIW-master

In september 2013 begint het nieuwe masterprogramma Nieuwe media, taal en communicatie bij de opleiding Communicatie- en informatiewetenschappen.

Door de komst van nieuwe media is de manier waarop professionals met het publiek en met elkaar communiceren ingrijpend veranderd. Wat betekenen deze veranderingen voor ons onderzoek? We stelden zes vragen aan het boegbeeld van dit nieuwe programma, Wilbert Spooren.

1. Het is duidelijk dat de komst van nieuwe media veel heeft veranderd in zowel professionele als informele communicatie. Kijkend naar communicatie binnen de drie genoemde contexten (gezondheid, juridisch en journalistiek), zie je dan overwegend positieve ontwikkelingen of is de communicatie binnen die domeinen vooral gecompliceerder geworden?

De voormalige koningin Beatrix hield in 2009 een nogal opzienbarende kersttoespraak; ze was daarin heel somber over de invloed van allerlei nieuwe media, en in het bijzonder de sociale media: die gaan volgens haar nooit een vervanging zijn voor good old old-fashioned ouderwets contact tussen mensen, wat we wel face-to-face interactie noemen. En dat is ontegenzeggelijk waar. Een wereld waarin we alleen gemedieerd, dus via allerlei media, met elkaar communiceren is kil en kaal.

de journalist, arts en politieagent komen er niet meer mee weg om informatie aan te bieden ongeacht of iemand daar op zit te wachten
Maar tegelijkertijd zie je ook een heleboel positiefs. Waar we vroeger geduldig moesten wachten op informatie, is die nu altijd en overal en veelal gratis toegankelijk. Als ik een medische klacht heb dan kan ik meteen gaan zoeken of ik die klacht serieus moet nemen. Dat brengt natuurlijk weer nieuwe kwesties met zich mee: is al die informatie wel betrouwbaar? Hoe kan je informatie van non-informatie onderscheiden? Word ik niet alleen maar bang gemaakt over incapabele artsen en akelige bijverschijnselen?
Ook in de journalistiek zie je dat de brengers van het traditionele kwaliteitsnieuws zoekende zijn: hoe zorgen we ervoor dat we de baas blijven van de informatie?, wat is een verdienmodel in een tijd dat alle informatie gratis op straat ligt?, wat is onze expertise als werkelijk iedereen nieuws kan produceren via Twitter en Facebook of in een blog?
Ook in het juridische domein zie je heel vergelijkbare kwesties: hoe voorkomt de politie als ze actief is in sociale media dat informatie omgevormd wordt tot hypes, dat mensen achterna gezeten worden alleen maar omdat ze lijken op of dezelfde naam hebben als een verdachte, of dat het publieksvonnis al geveld is nog voordat de verdachte een rechter heeft gezien?

Wat ik in ieder geval een heel goede ontwikkeling vind is dat de rol van de officiële instanties, zoals de journalistiek, de arts of de politieagent, fundamenteel aan het veranderen is: ze komen er niet meer mee weg om, zoals vroeger, heel ‘systeemgericht’ informatie aan te bieden, ongeacht of iemand daar op zit te wachten. Die instituties moeten nu veel gebruiksgerichter gaan communiceren. En daar zitten vanuit mijn vakgebied weer heel interessante onderzoeksvragen in: hoe zet je als instantie taal in om dat voor elkaar te krijgen? wat zijn de geëigende genres om dat te doen? wat voor genres heb je überhaupt in al die nieuwe media? en zijn dat nog wel de oude vertrouwde genres, of krijgen we allerlei nieuwe en hybride genres? Hoe je taalgebruik in moet zetten om effectief te communiceren is helemaal niet vanzelfsprekend meer.

2. Welke ontwikkelingen verwacht je in de toekomst op media- en communicatiegebied? Is er nog wel plaats voor de oude media?

Ik denk dat ik de behoudenden onder ons gerust kan stellen. Ik denk dat we nog heel lang gebruik zullen maken van oude media zoals boek en krant, al was het maar vanwege de tactiele ervaring van het vasthouden van papier. Ongetwijfeld zullen teksten die vooral als wegwerp gebruiksartikel dienen, zoals de gebruiksaanwijzing, als papieren teksten gaan verdwijnen. Maar ik verwacht dat velen van ons in de trein, aan het strand of in bed liever een boek dan een e-reader blijven lezen.

In het algemeen is het lastig te voorspellen wat we allemaal gaan tegenkomen, omdat dat zo afhankelijk is van de ontwikkeling van technologieën zoals het oprolscherm en Google Glass. Iets wat heel duidelijk lijkt is dat het toetsenbord en de muis hun langste dagen wel gehad hebben. De ontwikkelingen op het gebied van stemherkenning gaan heel hard. En dus gaan we binnenkort praten tegen de computer in plaats van typen. Het is een heel interessante kwestie of dat net zulke ingrijpende gevolgen gaat hebben voor het gebruik van de computer als communicatiemedium als de komst van de afstandsbediening voor het televisiekijken.

Een andere interessante ontwikkeling, die al een tijdje terug door David Crystal voorspeld is, is de rol van het automatisch vertalen: hij voorziet de situatie dat we, doordat we almaar online zijn, ook permanent toegang hebben tot almaar betere vertaalapplicaties, waardoor we in onze eigen taal kunnen praten met iemand die in zijn of haar moedertaal met ons praat. Dat lijkt welhaast utopisch. En Naomi Baron heeft een heel aardig boek geschreven waarin ze in meer algemene termen spreekt over wat het betekent voor ons, voor onze taal en voor onze samenleving om altijd ‘on-line’ te zijn.

Wat we voor ontwikkelingen ook tegen gaan komen, ik denk dat we ze altijd zullen begrijpen en bestuderen vanuit het contrast met de oervorm van communicatie, namelijk spontane face-to-face interactie.

3. Welke invloeden zie jij, als hoogleraar Taalbeheersing, van deze nieuwe media op ons taalgebruik en de ontwikkeling van de Nederlandse taal?

Of we het leuk vinden of niet, de rol van de normen voor goed en fout taalgebruik wordt anders. Stemherkenning zorgt ervoor dat kennis van spellingregels en grammaticaregels minder belangrijk wordt voor de productie van onze mailtjes e.d., omdat de computer een groot deel van die productie overneemt.

áls er al een negatief verband is tussen gebruik van nieuwe media en geletterdheid, lijkt dat marginaal te zijn
In de pers lezen we overigens regelmatig dat het gebruik van al die nieuwe media dramatische consequenties gaat hebben voor onze beheersing van het Nederlands. Nu is het niet zo heel erg duidelijk wat daarmee precies bedoeld wordt. Hebben we het over de uitroep van minister Plasterk bij De Wereld Draait Door, dat het onacceptabel is om “hun” als onderwerpsvorm te gebruiken? Hebben we het over de beheersing van de spellingregels van het Nederlands? Gaat het om de productie van een samenhangende en goed opgebouwde tekst? Gaat het om de selectie van de juiste toon en het juiste register gegeven de communicatieve situatie? Of hebben we het over de effectieve keuze voor een geschikt genre om een bepaald communicatief doel te bereiken?

Daarnaast valt het nog helemaal niet mee om te laten zien dat intensief bezig zijn met nieuwe media zulke negatieve consequenties heeft. Het bestaande onderzoek laat heel wisselende resultaten zien en, voorzover er sprake is van een negatief verband tussen gebruik van nieuwe media en geletterdheid, lijkt het marginaal te zijn. Binnenkort hopen we te kunnen starten met een promotieproject dat deze kwestie veel preciezer dan tot nu toe onder de loep wil gaan nemen.

4. Project X en de reacties op ons Koningslied lieten zien dat het publiek uiteindelijk de communicatie bepaalt. Kun je daar als professional nog wel invloed op uitoefenen? En zo ja, hoe dan?

Ontegenzeggelijk kan de crowd aan de haal gaan met een onderwerp. Daar hebben we zelfs een woord voor uitgevonden: de mediahype. Tegelijkertijd zie je behoefte aan duiding en expertise. Zo zie je in het journalistieke domein dat de rol van de journalist aan het veranderen is. De journalist is niet langer de brenger van het nieuws. Daar legt hij of zij het altijd af tegen Twitter en de andere sociale media en de macht van het getal: overal lopen mensen rond met mobiele telefoons die onmiddellijk het nieuwste nieuwsfeit de wereld insturen. De journalist wordt een verklaarder, degene die om kan gaan met veel gegevens en daar patronen in kan ontdekken, die tegen een achtergrond geplaatst moeten worden. Vandaar dat we trends zien als data journalism en dat we de rol van nieuwe vormen van journalistiek zoals de infographic zien toenemen.

Ook in het domein van de gezondheidscommunicatie zien we een overdaad aan beschikbare informatie en daarmee een toename van de behoefte aan kwaliteitsinformatie. In een promotieonderzoek dat ik samen met José Sanders en een aantal collega’s van de VU begeleid onderzoekt Inge Dubbeldam hoe patiënten die in een behandelingstraject zitten naar aanleiding van een negatieve uitslag van een uitstrijkje op zoek gaan naar informatie over hun aandoening. Daaruit blijkt aan de ene kant dat deze patiënten een enorme behoefte hebben aan gezaghebbende informatie, waar als het ware een kwaliteitsstempel van de expert op staat. Aan de andere kant moet die informatie ook tegemoet komen aan de kwesties waar deze vrouwen mee zitten. En dat zijn lang niet altijd alleen maar medisch-technische kwesties, zoals “krijg ik kanker?”, maar ook en vooral “hoe kom ik aan deze aandoening, die toch een geslachtsziekte is?”.

Onze studenten spreken zowel de taal van de communicatiespecialisten als van de technici en dat maakt ze waardevol voor moderne organisaties, ook als de technologieën veranderen
De rol van de professionele communicatie wordt dan ook veel eerder inspelen op de behoefte en noden van de gebruiker, op het juiste moment en in de juiste situatie.

5. Wat kunnen jouw studenten straks betekenen voor een bedrijf dat actief gebruik wil gaan maken van nieuwe media als communicatiemiddel(en)?

Tijdens een voorlichtingsbijeenkomst over het nieuwe masterprogramma vroeg een student heel terecht hoe nieuw die nieuwe media van nu over 30 jaar zijn. Waar we in onze opleiding van uit gaan is dat technologieën vluchtig zijn, maar dat de onderliggende processen duurzaam zijn. Inzicht in die onderliggende processen doet je begrijpen wat er gebeurt in dergelijke vormen van communicatie en welke rol taal daarin speelt. Daarom willen we onze studenten dergelijke inzichten bijbrengen, zodat ze duurzame kennis verwerven die ze kunnen gebruiken ook als de technologieën veranderen. Bovendien leiden we ze op om intermediair te zijn tussen de verschillende partijen die in organisationele communicatie. In moderne organisaties is communicatie altijd het product van samenwerking tussen experts uit verschillende achtergronden en disciplines. Onze studenten spreken zowel de taal van de communicatiespecialisten als van de technici en dat maakt ze waardevol voor die moderne organisaties.

6. En wat betekenen die nieuwe media nu voor het onderzoek?

de nieuwe media bieden mogelijkheden te over voor allerlei interessant onderzoek naar de rol van taal in communicatie
Ik mag graag tegen mijn studenten zeggen dat we ons dankzij die nieuwe media permanent in een laboratium bevinden. Het aardige aan nieuwe media is natuurlijk dat het allemaal om gedigitaliseerd materiaal gaat. De corpora groeien zo te zeggen vanzelfsprekend aan. Via de API van Twitter is het mogelijk om allerlei soorten informatie uit een tweet te halen, van geografische locatie en tijdstip van verzending tot aan de applicatie waarmee de tweet verstuurd is en hoeveel volgers de twitteraar heeft. Daardoor bevat een tweet heel veel metadata, die de mogelijkheden voor analyse aanzienlijk vergroten.

Zelf ben ik enorm geïnteresseerd in genres: ik ben ervan overtuigd dat efficiënt communiceren tot op grote hoogte betekent adequaat om kunnen gaan met allerlei discourse genres, die wat inhoud, vorm, structuur en stijl aangepast zijn aan de communicatieve setting. Door de ontwikkeling van nieuwe technologieën ontwikkelen zich voortdurend allerlei nieuwe genres. En dat maakt het de moeite waard om te bestuderen hoe een organisatie zoals een ziekenhuis, die een Twitterspreekuur gaat inrichten, zijn instutionele rol vervult in dit medium dat daar in oorsprong niet voor gemaakt is en in een genre waarvan de conventies nog niet zijn uitgekristalliseerd.

Facebook: multimodale pagina’s met genres en subgenres,… Hoe is de samenhang geregeld?
Een ander voorbeeld is de Facebookpagina. Dat concept bestond 10 jaar terug niet. Als je zo’n pagina bekijkt dan zie je dat het een amalgaam is, een hybride vorm van allerlei ‘moedergenres’. En daar beginnen de onderzoeksvragen: hoe is de samenhang op zo’n pagina geregeld? Lijkt die op samenhang zoals we die in een klassieke geschreven of gesproken tekst tegenkomen, of gebeuren er andere dingen? Waarschijnlijk wel want zo’n pagina is een typisch multimodale pagina, waarin tekst en beeld met elkaar in verband gebracht worden. Lezers moeten als ze de informatie verwerken voortdurend schakelen. Hoe doen ze dat? Wat voor signalen krijgen ze voor die samenhang? Er zitten allerlei subgenres in zo’n pagina: hebben die hun eigen register? En op een institutioneel niveau kun je je afvragen of en hoe de mogelijkheden en onmogelijkheden van Facebook passen bij de institutie. Zo is een student van mij op dit moment aan het onderzoeken hoe goede-doelenorganisaties de relatie met hun donateurs onderhouden via Facebook.

Als onderzoekers moeten we er rap bij zijn. Want de vluchtigheid van de technolgieën maakt dat de data en vooral de beschikbaarheid ervan snel veranderen. Second Life is nu toch echt passé, en de hoeveelheid Hyvesaccounts neemt in rap tempo af. Als we Whatsapps willen verzamelen, moeten we dat nu doen, want wie weet wat er over twee jaar weer in de mode is.

Kortom, de nieuwe media bieden mogelijkheden te over voor allerlei interessant onderzoek naar de rol van taal in communicatie.

Dit is een uitgebreide versie van het interview dat ook te vinden is op de opleidings-website van Communicatie- en informatiewetenschappen →

Je vindt daar ook het Programma Nieuwe media, taal en communicatie →

Leave a Reply