Persuasive communication

Centre for Language Studies | Faculty of Arts | Radboud University Nijmegen

Masterscriptie: Johnny Joker ging onder de loep

nina-den-elzenNina den Elzen, masterstudent Communicatie- en Informatiewetenschappen aan de Radboud Universiteit, schreef haar masterscriptie over Johnny Joker. Hieronder lees je haar belangrijkste bevindingen.

Als Sinterklaascadeautje kreeg ik te horen dat ik mijn masterscriptie mocht gaan schrijven over Johnny Joker. Hoe leuk is dat: kunnen zeggen dat je gaat afstuderen op een oranje aap! In deze blog zal ik kort toelichten hoe ik Johnny nou precies onder de loep genomen heb en hoe Johnny Joker kan bijdragen aan ‘happy & healthy kids’.

Kleuters zijn maar moeilijk te overtuigen om zich gezond te gedragen. Ze vinden tandenpoetsen bijvoorbeeld stom en daar hebben ze een goede reden voor. Kleuters hebben nog niet het denkvermogen om te begrijpen wat ‘gezond’ is en welke langetermijneffecten bepaald gedrag nou eigenlijk heeft (Zeinstra, Koelen, Kok, & De Graaf, 2007). Ze baseren zich liever op boodschappen met een leuke verpakking. Iets dat leuk overgebracht wordt is leuk, dus de gezonde gedraging in deze boodschap is leuk, dus ze willen het graag doen (De Droog, Buijzen, Opree, & Valkenburg, 2011). Maar hoe krijg je deze ‘leuke’ kleuters dan zo ver om iets leuk te vinden?

Is tandenpoetsen leuk?

Dat de boodschap van Johnny Joker in een verhaaltje gebracht wordt, zou kunnen bijdragen aan het leuk vinden van, in het geval van mijn onderzoek, tandenpoetsen. Er is al veel onderzoek gedaan naar hoe volwassenen narratief betrokken raken. Zo kunnen volwassenen zich ‘aanwezig’ voelen in de wereld van een verhaal, waardoor ze vatbaarder zijn om overtuigd te worden van gezond gedrag (Murphy, Frank, Chatterjee, & Baezconde-Garbanati, 2013). Voor kleuters geldt dat ze een boodschap beter kunnen verwerken als het in een verhalende context wordt aangeboden, omdat ze de boodschap dan kunnen koppelen aan een context (Fisch, 2000). Denk bijvoorbeeld eens aan Sesamstraat waar rekensommetjes nodig zijn, omdat Pino moet uitrekenen hoeveel geld hij nodig heeft voor de boodschappen. Via identificatie met Johnny, het medium van een verhaal en emoties zouden ook kleuters zich narratief betrokken kunnen voelen, iets dat bijdraagt aan het overtuigen tot gezond gedrag. Daarnaast zouden ook de stoute grapjes in de boekjes een positieve invloed kunnen hebben op hoe betrokken kleuters raken in het verhaal. Zo laat de opa van Johnny opeens een scheet: dit soort grapjes sluit goed aan bij de belevingswereld van kleuters. Zij vinden alles dat sociaal onacceptabel is, zoals grapjes over scheetjes, hilarisch (Valkenburg, 2008). Ook de interactieve insteek van Johnny Joker zou een trigger kunnen zijn voor kleuters om het getoonde gedrag leuk te vinden. Zo kan het stellen van vragen niet alleen leiden tot meer bewustzijn over het gedrag (De Droog, Buijzen, & Valkenburg, 2014), maar ook aanzetten tot het proberen van het al dan niet gewenste gedrag. Johnny wil nog wel eens stoute dingen uitproberen, zoals zijn tanden poetsen met chocoladepasta. Hierdoor zouden kleuters tandenpoetsen misschien ook wel leuker kunnen gaan vinden.

Meer zin om te poetsen

Voor mijn scriptie ben ik vier dagen op een basisschool geweest om daar 37 leerlingen uit groep 1/2 het boekje Johnny Joker houdt zijn kiezen op elkaar voor te lezen. Op de eerste dag heb ik eerst aan alle kleuters gevraagd wat ze van tandenpoetsen vonden, hoe graag ze het die avond zouden willen doen en of ze wisten hoe schoon hun tanden werden van tandenpoetsen en hoe vies van niet-tandenpoetsen. Na het voorlezen heb ik hen deze vragen nogmaals gesteld en heb ik ze ook gevraagd in hoeverre ze narratief betrokken geraakt worden (nee, niet op deze manier natuurlijk ;-)) en hoe leuk ze de stoute grapjes vonden. En of ze die leuk vonden, op de vraag ‘hoe leuk vind je het scheetje van de opa van Johnny?’ antwoordden ze allemaal ‘heel leuk!’.

johnny_joker

Na drie dagen voorlezen vonden de kleuters tandenpoetsen leuker en was er een trend zichtbaar voor hoe graag ze diezelfde avond hun tanden zouden gaan poetsen. Hoe narratief betrokken kleuters waren, bleek positief samen te hangen met hoe leuk ze tandenpoetsen vonden. Narratieve betrokkenheid zelf werd weer sterk voorspeld door hoe leuk de kleuters de grapjes van Johnny in het boekje vonden. Of de kleuters het stoute gedrag van Johnny al dan niet wilden proberen, droeg echter niet bij aan hoe leuk ze tandenpoetsen vonden. Hoewel het bewustzijn over tandenpoetsen heel groot was (3.8 op een schaal van 1 tot en met 4) bleek dit niet bij te dragen aan hoe leuk de kleuters tandenpoetsen vonden. Dit bevestigt eerdere aannames over dat de boodschap voor kleuters vooral leuk moet zijn en dat argumenten en kennis daar nog niet van belang bij zijn.

Jong geleerd…

Toch wil ik daar een kanttekening bij plaatsen. Op latere leeftijd ontwikkelen kinderen wel de capaciteit om ingewikkeldere boodschappen te verwerken en een bewuste afweging te maken (Rozendaal, Buijzen, & Valkenburg, 2010). Op zo’n moment pas bewustzijn kweken, lijkt wat laat. Zelf ben ik daarom erg blij dat de makers van Johnny met motivational interviewing al aan willen zetten tot het kweken van bewustzijn, in de hoop dat dit bewustzijn op latere leeftijd dan gemakkelijk geactiveerd kan worden, waardoor kinderen gemakkelijker overtuigd worden of blijven van het belang van gezond gedrag.

Na al deze spoilers nog nieuwsgierig naar mijn scriptie? Stuur me even een mail dan zorg ik dat de long read in je digitale postvak terecht komt!

Referenties

De Droog, S., Buijzen, M., & Valkenburg, P. (2014). Enhancing children’s vegetable consumption using vegetable-promoting picture books. The impact of interactive shared reading and character–product congruence. Appetite, 73, 73-80.

De Droog, S., Buijzen, M., Opree, S., & Valkenburg, P. (2011). Merkfiguurtjes stimuleren de gezonde keuze van kleuters via affectieve reactiemechanismen. Tijdschrift voor Communicatiewetenschap, 39(4), 58-73.

Fisch, S. (2000). A capacity model of children’s comprehension of educational content on television. Media Psychology, 2(1), 63-91.

Murphy, S., Frank, L., Chatterjee, J., & Baezconde-Garbanati, L. (2013). Narrative versus nonnarrative: The role of identification, transportation, and emotion in reducing health disparities. Journal of Communication, 63(1), 116-137.

Rozendaal, E., Buijzen, M., & Valkenburg, P. (2010). Comparing children’s and adults’ cognitive advertising competences in the Netherlands. Journal of Children and Media, 4(1), 77-89.

Valkenburg, P. (2008). Beeldschermkinderen: Theorieën over kind en media. Amsterdam: Boom.

Zeinstra, G., Koelen, M., Kok, F., & De Graaf, C. (2007). Cognitive development and children’s perceptions of fruit and vegetables; a qualitative study. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity, 4: 30.

(Dit blogartikel werd eerder gepubliceerd op het Johnny Joker blog).

Leave a Reply