Persuasive communication

Centre for Language Studies | Faculty of Arts | Radboud University Nijmegen

Komen mannen van Mars en vrouwen van Venus?

Door: Marloes Mak

Als ik zeg “mannen komen van Mars, vrouwen komen van Venus”, begrijpt iedereen wat ik bedoel. Ik heb het over dat mannen en vrouwen “verschillend in elkaar zitten”. Maar de vraag is in hoeverre dit eigenlijk het geval is? Zitten mannen en vrouwen “verschillend in elkaar”, of gedragen ze zich gewoon anders? Met andere woorden: zijn de bouwstenen waar mannen en vrouwen uit opgebouwd zijn nou echt verschillend, of zijn er andere factoren die ervoor zorgen dat bepaalde gedragsmatige verschillen tussen mannen en vrouwen ontstaan? Lange tijd hebben mensen gedacht dat dat eerste aan de hand was, maar de laatste tijd lijken er steeds meer redenen om aan te nemen dat er wellicht toch meer overeenkomsten dan verschillen zijn als we de “bouwstenen” van mannen en vrouwen met elkaar vergelijken.

In de wetenschap, en in ieder geval in de Psychologie, is er jarenlang heel veel aandacht geweest voor verschillen tussen mannen en vrouwen. Als ik in Google Scholar eens zoek op “gender differences” krijg ik meer dan 3 miljoen hits. Op de eerste pagina met zoekresultaten vind ik onder andere dat jongens vanaf een jaar of 15 beter zijn in rekenen dan meisjes, dat mannen meer risicovol gedrag vertonen dan vrouwen, en dat meisjes meer indirecte vormen van agressie vertonen in vergelijking van jongens die meer directe vormen van agressie vertonen.

Deze focus op man-vrouwverschillen is zo sterk, dat je bij het schrijven van wetenschappelijke artikelen vaak ófwel expliciet moet maken wat de verschillen tussen mannen en vrouwen in jouw onderzoek waren, ófwel moet beargumenteren waarom je geen verschil tussen mannen en vrouwen hebt onderzocht.

Maar toch lijkt het zo te zijn dat de focus tegenwoordig wat lijkt te verplaatsen: Er lijkt steeds meer interesse te zijn in onderzoeken die aantonen dat er ook dingen zijn waar mannen en vrouwen niet in verschillen (en dan natuurlijk het liefst dingen waarover een vooroordeel bestaat dat er wél een verschil zou zijn).

Zo was ik laatst op een congres in Boston, waar een mede-onderzoekster een onderzoek presenteerde over de manier waarop kinderen rekensommen verwerken in hun hersenen. Zij vond geen verschillen tussen jongens en meisjes, en ook geen verschil in de manier waarop dit zich ontwikkelde in jongens en meisjes.

In mijn eigen vorige onderzoek heb ik, zoals mij is geleerd in mijn studie, netjes bijgehouden of mijn proefpersonen mannen of vrouwen waren. Ik deed onderzoek naar wat mensen zich voorstellen tijdens het lezen van verhalen, en of ze zich dan sterker focussen op beschrijvingen acties, beschrijvingen van de omgeving, of beschrijvingen van gedachten en emoties van personages (Mak & Willems, under review).

Een vraag die ik zeer regelmatig krijg als ik mensen over mijn onderzoek vertel, is of ik wel naar man-vrouwverschillen heb gekeken. Mensen gaan er vrijwel automatisch vanuit dat mannen wel sterker zullen reageren op beschrijvingen van acties, terwijl vrouwen sterker zullen reageren op beschrijvingen van gedachten en emoties.

Deze man-vrouwverschillen waren niet mijn primaire onderzoeksinteresse, maar voor al deze vraagstellers heb ik dit even bekeken. En wat blijkt: er was geen verschil tussen mannen en vrouwen in hoe ze reageerden op beschrijvingen van acties, de omgeving of gedachten en emoties. Als mensen zich voorstellen wat er gebeurt in een verhaal, lijken mannen dit dus niet op een andere manier te doen dan vrouwen!

Hoe kan het dan dat zoveel experimenten wel een verschil tussen mannen en vrouwen hebben gevonden, terwijl in mijn onderzoek en het onderzoek over de manier waarop kinderen rekensommen verwerken zulke verschillen niet zijn gevonden?

Als je dan eens naar een aantal specifieke onderzoeken kijkt, dan zie je dat de onderzoeken over bijvoorbeeld het vertonen van risicovol gedrag, of de manier waarop mensen agressie uiten (waarin dus wel een verschil tussen mannen en vrouwen is gevonden), over erg complex gedrag lijken te gaan. Dit complexe gedrag zou best wel eens erg gevoelig kunnen zijn voor wat er geaccepteerd wordt van mannen dan wel vrouwen in de samenleving, en de verwachtingspatronen die er in de samenleving bestaan over hoe mannen en vrouwen zich “horen” te gedragen.

In het onderzoek naar de verwerking van rekensommen in de hersenen, en ook in mijn eigen onderzoek naar leespatronen, wordt meer onderzoek gedaan naar automatische, moeilijk te beïnvloeden processen. De kans is een stuk kleiner dat dit soort processen beïnvloed worden door maatschappelijke verwachtingspatronen, en zouden daardoor wellicht die eerder genoemde “bouwstenen” dichter benaderen. Dit lijkt te suggereren dat in ieder geval een deel van de man-vrouwverschillen niet in die bouwstenen zitten, maar wellicht meer opgelegd zijn vanuit die maatschappelijke verwachtingspatronen.

Als ik hier zo over nadenk, doet dit mij denken aan de nature-nurture discussie. In deze discussie vragen wetenschappers zich af in hoeverre bepaalde kenmerken (zoals gedrag) biologisch bepaald is (nature), of het gevolg is van de manier waarop wij zijn grootgebracht en de verwachtingen die de samenleving heeft (nurture). Het is goed mogelijk dat een groot deel van de man-vrouwverschillen hellemaal niet zo sterk biologisch bepaald zijn, maar veel meer het gevolg zijn van wat ons door de samenleving opgelegd wordt. Misschien moeten we dus niet zeggen “mannen komen van Mars, vrouwen komen van Venus”, maar “mannen gaan naar Mars, vrouwen gaan naar Venus”.

 

Verder lezen:

Mak & Willems (under review). Mental Simulation during Literary Reading: Individual Differences Revealed with Eye-Tracking. Language, Cognition and Neuroscience.

Leave a Reply