Persuasive communication

Centre for Language Studies | Faculty of Arts | Radboud University Nijmegen

Duck’s Register

Elke week verschijnt op deze site een bijdrage van één van onze onderzoekers over communicatie in onderzoek en praktijk. Deze week: Lettica Hustinx, over ‘Duck’ Biber en registeranalyses.

Afgelopen 29 en 30 september bezochten wij, Christine Liebrecht, Margot van Mulken en ik, het International Workshop on Discourse Analyses in Santiago de Compostela, waar we een lezing gaven over de relatieve kracht van negativiteit en taalintensiteit. De grote attractie van de bijeenkomst was Douglas Biber. Die hadden we al eens uitgebreid gezien in Leiden, en hij gaf hier drie workshops van in totaal vijf uur, dus we dachten: “ach, we gaan in elk geval eentje bijwonen, even kijken want we zijn er dan toch”. Want er was nog meer interessants bij te wonen en dan had je ook nog altijd het prachtige oude Santiago dat lonkte. Welnu, we hebben gefascineerd naar de beroemde Biber geluisterd. Het was een echte workshop waar je opdrachten kreeg en we allerlei nieuwe dingen in groepjes moesten doen en daarover plenair rapporteren. We voelden ons weer helemaal student.

Omdat ik Douglas Bibers aanpak, zowel als onderzoeker als presentator, zo verfrissend vond, ga ik proberen te vertellen hoe dat ging en wie weet kunnen we daar wat van opsteken.

Het begon al goed. In plaats van uitgebreid uit te leggen wat ‘register’ inhoudt, moesten we zelf gaan ‘aanvoelen’ hoe een registeranalyse zo ongeveer gaat. We kregen op papier vijf tekstfragmenten voorgelegd, een stuk uit een conversatie, krantenbericht, leraar- leerling interactie, literaire fictie en wetenschappelijk artikel. Het enige wat we moesten doen was per fragment opschrijven wat wij dachten dat de situatie van dat fragment was (bijv. dat de conversatie een informeel gesprekje tussen twee jonge meiden was), en vooral ook: wat ons opviel aan grammaticale en lexicale features die zowel frequent als prominent (pervasive) aanwezig waren. Die features moest je zelf ontdekken en in de groep gooien. Dan kreeg je uiteindelijk een lijst met dingen als opvallend veel werkwoorden, vragen, 1e en 2e persoon pronomina, interjecties (oh, now), ellipsis, repetitie, adjectieven, passief constructies, 3e persoon pronomina, getallen, prepositionele frases etc. En per tekst werd dat in een raster genoteerd, waarin horizontaal bovenin de 5 fragmenten stonden en verticaal links de zelfingevulde opvallende features, en in de cellen kon je dan kruisjes zetten in welk fragment of tekstsoort dat specifieke feature voorkwam.

afb-lettica-1En toen het af was begonnen patronen te ontstaan en zagen we hoe een register zich begon te ontvouwen: het specifiek ‘co-occurren’ van bepaalde features. En het idee erachter is dat die constellatie van features een functie heeft binnen die tekstsoort en specifiek voorkomt bij die tekstsoort. Zo heeft een wetenschappelijk artikel een ander register dan een conversatie (bijv. de opeenstapeling van propositionele frases en citaten). En die zie je dan niet optreden bij conversaties, die dan weer wel 1e en 2e persoon pronomina hebben , die je niet in artikels tegenkomt. Dat herkennen en noteren van lexico-grammaticale features gaat in het echte leven automatisch, met een tagger, en met een paar duizend fragmenten.

Er zaten ook genre-analysten in de zaal en die zaten er onder andere ook om onze ‘Doug’ het leven zuur te maken. Blijkbaar was hun wetenschappelijke strijd van al wat langere duur, want Doug werd telkens door de Spaanstalige collega’s met ‘Duck’ aangesproken, wat wij natuurlijk direct overnamen. Duck hield zich ook niet in om de verschillen tussen de genre-analisten en de ‘Registerianen’ te benadrukken. Zo stelt de genre-analist top-down zijn corpus zelf samen, bepaalt vooraf welke teksten in het corpus worden opgenomen. Een registeranalist verzamelt random door Google een veelvoorkomende uiting te laten opzoeken (bijv. “this is the …”) en dan neemt hij na de eerste 80 hits (die niet Google-favoriet zijn) fragmenten en kan zo een groot corpus samenstellen. In tegenstelling tot de genre-analisten die een hele tekst nodig hebben voor hun analyse (het begin en einde leveren vaak veel info voor het genre), neemt de registeriaan fragmenten en op basis van de gevonden registers worden tekstsoorten en subsoorten vastgesteld. Alles geschiedt dus bottom-up.

Een andere verfrissende aanpak is dat, waar je als stijlanalist (zoals wij drie met onze taalintensiteit-analyse) nogal ongelukkig kunt worden over een lage interbeoordelaars-kappa, de beoordelaars van een registeranalyse ook de analyse op elk fragment loslaten en met open blik op zoek gaan naar de fragmenten die het niet ‘goed doen’ en benieuwd zijn naar de reden. Soms blijken daar hybride vormen of sub-soorten (bijv. een krantenartikel met een conversatie erin) uit voort te komen.

Daarna gingen we in de volgende workshop aan de slag met hoe een factoranalyse in z’n werk ging, en hoe je moest bepalen welke features bijdroegen aan een bepaald register en welke niet. We moesten allerlei analyse-uitdraaien (‘Eigenvalues, factoranalyses met verschillend aantal factoren, ‘rotation’ , ‘community estimates’ en nog wat ingewikkeldheden) interpreteren, en we leerden zien welke features hiërarchisch geordend zijn (en dan mocht je de ‘super’-categorie niet laten meetellen, want die correleert natuurlijk enorm), en ook hoe we sommige dingen konden combineren, zodat een betekenisvol feature ontstond. Wat uiteindelijk heel leuk is, is dat sommige tekstsoorten niet alleen beschreven kunnen worden in termen van een set van features die daarin plegen voor te komen, maar ook in termen van wat er niet voorkomt. Enfin, dat soort dingen dus. Ook de rest van de conferentie was heel goed en propvol gepland (van 9.00 tot 19.00 uur en niks geen urenlange Spaanse lunch), dus Santiago hebben we vooral by night gezien.

afb-lettica-2Rest me nog te vermelden dat we ’s avonds op het lopend congresbuffet aan de praat kwamen met Duck die daar wat verloren rond liep en verder de hele avond met hem hebben zoet gebracht in een prachtige kille middeleeuwse zaal in het paleis der koningen op het plein van de St-Jacobskathedraal. En Margot weet zich echt te herinneren dat ik hem op t eind van de avond impliciet uitnodigde voor een eetafspraak voor de volgende dag, met de volgens haar historisch onsterfelijke woorden: ‘Zeg, Duck, becummert sich wel someone about you?’

De volgende dag gaf Biber geen teken van herkenning meer. Blijkbaar zat de ‘pervasive co-occurence’ van ons drietal, die toch echt functioneel was, niet in zijn register.

Leave a Reply