Persuasive communication

Centre for Language Studies | Faculty of Arts | Radboud University Nijmegen

Cougnou

Elke week verschijnt op deze site een bijdrage van één van onze onderzoekers over communicatie in onderzoek en praktijk. Deze week: Wilbert Spooren, over corpusannoteringen en cougnou.

In de week dat het Verdrag van Maastricht zijn 25e verjaardag vierde, heb ik iets heel Europees gedaan: ik was afgelopen donderdag op de campus van UCL (Université Catholique de Louvain) in Louvain-la-Neuve, om samen met Liesbeth Degand van UCL een seminar van een dag te verzorgen over de betrouwbaarheid van corpusannoteringen.

In steeds meer onderzoek naar taal en taalgebruik is corpusanalyse een gangbare methode. We gebruiken graag zgn. ‘naturally occurring discourse’ omdat dat een beter beeld geeft van hoe taalgebruikers daadwerkelijk omgaan met hun taal dan zelfbedachte taalvormen (de vroeger veelgebruikte intuïties van taalkundigen over wat er wel en niet mogelijk is hun taal) of experimenteel ontlokt taalgedrag. Juist in natuurlijke taaluitingen kun je patronen vinden die je theorie kunnen verwerpen of ondersteunen.

Ook onderzoekers van persuasieve communicatie maken graag gebruik van dergelijk corpusonderzoek. Sturen met taal (het beroemde framen) is een effect van systematische maar doorgaans subtiele formuleringskeuzes die we alleen door nauwgezette bestudering van grote verzamelingen taalmateriaal kunnen achterhalen: wat is het nu precies aan iemands uiting dat dat sturende effect veroorzaakt?

Sociale wetenschappers hebben hebben nogal eens de neiging om die vraag te omzeilen. Zitten er in een bepaalde tekst zwakke of sterke argumenten? Ze weten het niet (vinden begrippen als ‘sterk argument’ maar lastig te operationaliseren), en dus vragen ze aan een aantal lezers: hoe sterk vind je dit argument? (Petty & Cacioppo, 1984). Is er in deze tekst sprake van framing? Omdat ze niet weten welke elementen in een tekst daarvoor verantwoordelijk zijn, bedenken ze een proxy: Schetst het verhaal een menselijk voorbeeld? Zo ja dan is er sprake van het Human Interest frame (Semetko & Valkenburg, 2000).

Hier ligt een taak voor de geesteswetenschappers: wij als geen ander kunnen sociale wetenschappers helpen bij het aanwijzen welke woorden en constructies verantwoordelijk zijn voor die sturende effecten. Maar daarvoor moeten we ze dan wel op systematische wijze bestuderen. En we moeten weten of onze analyses hout snijden, bv. doordat een ander de analyse ook uit kan voeren en tot min of meer hetzelfde resultaat kan komen. Met andere woorden, we moeten weten hoe betrouwbaar onze analyses zijn.

Daarom stond ik afgelopen donderdag samen met Liesbeth voor een groep van 32 over het algemeen jonge onderzoekers van verschillende nationaliteiten en  allerlei Waalse  (ULB, Mons, UCL, Liège) universiteiten en ook een enkele Vlaamse (Gent, Leuven) universiteit. Het was verheugend om te zien dat zoveel jonge onderzoekers deze kwestie serieus nemen.

Wat we verteld hebben, is onze kijk op betrouwbaarheid, en waarom de analyse van natuurlijke discourse, met al zijn ondergespecifeerdheid (lang niet alles wat bedoeld wordt in een tekst of gesprek maken schrijvers en sprekers ook daadwerkelijk expliciet), multimodaliteit (in een tekst of gesprek combineren we woorden met beelden en gebaren) en contextafhankelijkheid (elke tekst, elk gesprek vindt plaats in een bepaalde context en met bepaalde bedoelingen), extra uitdagingen stelt voor een betrouwbare inhoudsanalyse.

De structuur die we volgden was heel simpel: we hebben de onderwerpen gevolgd in de volgorde zoals die ook in een artikel aan bod komen dat we kortgeleden in gereviseerde (en hopelijk nu geaccepteerde) vorm opnieuw hebben ingediend. Dat artikel (Van Enschot et al., under review) was het uitvloeisel van een workshop die we twee jaar geleden op de Radboud Universiteit hebben georganiseerd en waarin Nederlandse en Belgische onderzoekers met elkaar overlegden over de ingewikkeldheden van interbeoordelaarsbetrouwbaarheid en hoe daar mee om te gaan. [Het maken van het artikel was een verhaal apart: vijf paar auteurs, van wie sommigen voor het eerst kennis hadden gemaakt tijdens de workshop, waren elk verantwoordelijk voor delen van het artikel en het geheel werd geredigeerd door Renske van Enschot en mij. Met dank aan Google Drive.] Aan het einde van de dag was het publiek hopelijk gesticht in de voor- en nadelen van Cohen’s kappa, Krippendoff’s alfa en de mutual F-score.

Toen ik daar zo stond, moest ik terugdenken aan mijn vorige bezoek aan UCL, acht jaar geleden. Ik heb daar toen een sabbatical doorgebracht. Over mijn ervaringen hield ik een blog bij, dat tot mijn verbazing nog steeds raadpleegbaar is. Ik heb toen veel geleerd over Wallonië en studeren in België, met als highlight het verschijnsel van het ‘bal des busés’: een feest dat aan het einde van het studiejaar georganiseerd wordt dóór de gezakten vóór de geslaagden! Eén gewoonte is me toen ontgaan, maar dat kwam door het jaargetijde (ik was er in het voorjaar): als bedankje kregen we van de organisator, Barbara De Cock, een cougnou. Een typisch Waals kerstbrood, suikerbrood dat zo gebakken is dat je er het kindje Jesus in kunt herkennen. Jammer dat Louvain-la-Neuve zo lang reizen is met de trein!

 

Verder lezen

Enschot, R. van, Spooren, W., Bosch, A. van den, Burger, C., Degand, L., Evers-Vermeul, J., Kunneman, F.,  Liebrecht, C., Linders, Y. & Maes, A. (under review). Taming our wild data: On intercoder reliability in discourse research.

Petty, R. E., & Cacioppo, J. T. (1984). The effects of involvement on responses to argument quantity and quality: Central and peripheral routes to persuasion. Journal of Personality and Social Psychology, 46(1), 69-81.

Semetko, H. A., & Valkenburg, P. M. (2000). Framing European politics: A content analysis of press and television news. Journal of Communication, 50(2), 93-109.

Share this on social networks

Leave a Reply