Persuasive communication

Centre for Language Studies | Faculty of Arts | Radboud University Nijmegen

Communicatie bij onverklaarde klachten

inge300Elke week verschijnt op deze site een bijdrage van één van onze onderzoekers over communicatie in onderzoek en praktijk.

Deze week: Inge Stortenbeker over onderzoek naar arts-patiënt communicatie bij onverklaarbare klachten.

Communicatie in de medische praktijk; het is iets dat me mateloos fascineert. Ieder gesprek van de huisarts, al duurt dit maar tien minuten lang, zit bomvol taaluitingen die veel zeggen over de arts, de patiënt en hun onderlinge relatie. Onbewust zenden we constant informatie over onszelf en verwachtingen over de ander uit via verbale en non-verbale communicatie. Door het kiezen van bepaalde woorden kan een arts informatie vrijgeven over zijn verwachtingen en ideeën over de patiënt. Deze kan dat op zijn beurt weer onbewust oppikken. Dit heeft dusdanig gevolgen voor patiënten dat onder andere therapietrouw en stress erdoor beïnvloed kunnen worden.

Om die reden ben ik begin dit jaar een masterscriptie gestart rondom het thema van de woorden die gebruikt worden tijdens het huisarts consult. Er is een grote groep patiënten die de huisarts bezoekt waarvan symptomen niet zomaar vanuit biomedisch perspectief verklaard kunnen worden. Dit zijn zogenoemde somatisch onvoldoende lichamelijk verklaarde klachten (SOLK). Dokters vinden het bij deze patiënten vaak lastig om tot een diagnose te komen terwijl patiënten zich op hun beurt onbegrepen en niet serieus genomen voelen. Patiënten met SOLK brengen bovengemiddeld vaak een bezoek aan de huisarts en ondervinden vaak beperkingen in hun dagelijks leven.

Een iets minder correcte benaming die in de mond genomen wordt, is ook wel de ‘heartsink patient’: op het moment dat een dergelijke patiënt de spreekkamer instapt, zakt de moed al ver weg in de schoenen van de dokter. Deze ziet de bui al hangen voor een moeizaam en onbevredigend gesprek.

Voor deze patiënten lijkt het bereiken van goede communicatie van extra groot belang om het herstelproces te bevorderen. Teruggaand naar het idee dat in ons taalgebruik impliciete verwachtingen over de gesprekspartner doorsijpelen, is de kans aanwezig dat dit al helemaal geldt voor die heartsink patiënt. Daarom ga ik tijdens mijn masterscriptie het taalgebruik van de artsen tijdens gesprekken met SOLK-patienten onder de loep nemen. Ik heb de luxe dat ik toegang heb tot bijna 150 gesprekken tussen huisartsen en hun patiënten (zowel SOLK als niet-SOLK patiënten). Door middel van een taal-analyse probeer ik te achterhalen of er verschillen en/of overeenkomsten te ontdekken zijn in de woorden die de huisartsen gebruiken in gesprekken met beide groepen.

onverklaarbaar

‘Positieve’ communicatie

Een advies dat meermaals terugkomt in richtlijnen en adviesdocumenten voor communicatie met SOLK-patiënten is om ‘positief’ te communiceren. Nu ben ik gefascineerd door de term ‘positieve communicatie’. Als communicatie-deskundige-in-spé vraag ik me gelijk af wat daar nu precies mee bedoeld wordt. Gaat positief communiceren om het gebruik van positieve woorden? Zo ja, wat zijn positieve en wat zijn dan negatieve woorden? Verwijst positieve communicatie ook naar non-verbale communicatie? Gaat het om het communiceren van een positieve diagnose? Communicatie is een dusdanig breed begrip, dat een term als ‘positieve’ communicatie niet zomaar makkelijk te definiëren valt. Dat blijkt al uit gesprekken met experts op het gebied van SOLK: ze raden aan om SOLK-patiënten te benaderen met positieve communicatie, maar weten zelf niet goed wat dat nu precies inhoudt.

Nu is er één studie die geregeld geciteerd wordt als de term ‘positieve communicatie’ valt rondom het thema van SOLK. Dit is een studie van KB Thomas, huisarts en onderzoeker aan de universiteit van Southampton. In 1987 publiceerde hij een artikel in de British Medical Journal waarin hij een experiment onder 200 patiënten met onverklaarde klachten omschrijft. Patiënten werden ingedeeld in twee groepen. Bij de ene groep communiceerde de arts op een ‘positieve’ manier, terwijl bij de andere groep een ‘negatieve’ communicatie werd toegepast. Twee weken later kwamen de patiënten terug en wat bleek: de SOLK-patiënten in de ‘positieve communicatie’-conditie waren beter hersteld dan de patiënten uit de andere groep.

Ondanks dat de resultaten duidelijk laten zien dat het er wel degelijk toe doet hóé men communiceert, gaan bij mij bij het zien van de manipulaties de haren recht overeind staan. Terwijl bij de ‘positieve’ groep de arts een stellige diagnose gaf waarbij hij er zeker van was dat de patiënt binnen een paar dagen zou herstellen, kregen de patiënten bij de andere, ‘negatieve’ groep te horen dat de dokter er niet zeker van was wat er aan de hand was en dat hij ook niet met zekerheid kon zeggen of de behandeling wel effect zou hebben (indien deze voorgeschreven werd). Indien de patiënt zich niet beter voelde, moest deze binnen een paar dagen terugkomen naar de praktijk.

Ik vraag me af in hoeverre we hier überhaupt kunnen spreken van positieve of negatieve communicatie. Ik zie vooral een grote mate van verschil in zekerheid van de dokter. Terwijl in de eerste conditie de dokter zeker is van wat de patiënt heeft en dat het binnen een aantal dagen opgelost zou moeten zijn, is bij de andere conditie de arts vele malen onzekerder. Bovendien wordt er simpelweg een andere prognose gegeven. Door verschillende factoren te betrekken in beide condities, kan mijns inziens geen eenduidige conclusie worden getrokken over de effecten van communicatie en wat deze precies zou inhouden.

Toen ik dit voorlegde aan mijn scriptiebegeleider – huisarts en onderzoeker aan het Radboud UMC – kwam er een duidelijk verschil tussen disciplines naar voren. Hij vertelde dat voornamelijk dit onderzoek wordt aangedragen als bewijs dat communicatie er wel degelijk toe doet voor patiënten met SOLK. De manier waarop iets gebracht wordt is van invloed op patiënt tevredenheid én herstel.

Samenwerking: een win-win situatie

Daar komen we precies bij een belangrijk en persoonlijk inzicht: dat was allang veronderstelde kennis voor mij. Ik weet dat communicatie ertoe doet en wil nu vooral onderzoeken hóé. Het is goed te beseffen dat dit niet voor alle disciplines zo vanzelfsprekend is. Hoewel het belang van communicatie bij steeds meer medische beroepen door begint te dringen, zijn er helaas nog steeds veel dokters die communicatie toch echt beschouwen als een ‘leuke hobby’.

Om die reden ben ik groot voorstander van interdisciplinaire samenwerkingen tussen faculteiten. Door vanuit meerdere disciplines naar eenzelfde onderwerp te kijken, helpen we elkaar kritisch er naar te kijken, krijgen we nieuwe inzichten en kunnen volgende stappen worden gezet. Tijdens mijn scriptie leer ik met een andere bril op te kijken en breng ik – hopelijk – de afdeling eerstelijnsgeneeskunde van het UMC iets bij over communicatie- en informatiewetenschappen. Een klassieke win-win situatie.

Share this on social networks

Leave a Reply