Persuasive communication

Centre for Language Studies | Faculty of Arts | Radboud University Nijmegen

Brainstormen over taalintensivering

Om eerstejaarsstudenten enthousiast te maken voor het onderzoeksvak, gaf ik onlangs een workshop taalintensivering. Aan de hand van een aantal opdrachten brainstormen over taalintensivering bleek een stimulerende opzet, resulterend in verwondering over voorvoegsels die beperkt bruikbaar zijn en uitspraken als kapot mooi, kutlelijk en wreed leuk.

Op een zonnige vrijdagmiddag besluit je om een hotelletje te boeken om je partner met een weekendje weg te verrassen. Via een boekingsite kom je een goede aanbieding tegen voor het Kurhaus in Scheveningen. Normaliter zijn overnachtingen in dat hotel ver boven je budget, maar omdat de website de laatste hotelkamers verhandelt, staat de prijs je wel aan. Tijdens het weekendje weg heb je foto’s gemaakt van het hotel waarin jullie overnachtten. Die staan hieronder afgebeeld. Op dat moment belt je moeder om te vragen hoe het was. Schrijf op wat je tegen je moeder zou zeggen.

Met deze opdracht werd de workshop geopend. De tekst die de studenten kregen was dezelfde, maar de bijbehorende foto’s waren wezenlijk verschillend:

Vies hotel, grote kans op negatieve beschrijving

Vies hotel, grote kans op negatieve beschrijving

Mooi hotel, grote kans op positieve beschrijving

Mooi hotel, grote kans op positieve beschrijving

 

 

 

Deze opdracht bleek te werken: in de meeste gevallen schreven de studenten met de mooie foto’s een positief en de studenten met de lelijke foto’s een negatief verhaal over het hotel en de inrichting van de hotelkamers. Nadat een aantal uitwerkingen waren voorgelezen, legde ik pas uit wat taalintensivering eigenlijk is. Gaandeweg die uitleg kwamen er al reacties van studenten op hun eigen tekst ‘ik gebruik kei veel het woord heel!’. Onderstrepen van de toegepaste taalintensiveringen in de eigen tekst gaf meer inzicht.

In de positieve tekst kwamen clauses voor, zoals: prachtig, schitterend, heerlijk, mooi, heel erg leuk, lekker (gegeten). In de negatieve teksten werd meer gevarieerd in woordclauses en stijlfiguren: verschrikkelijk, ranzig, voor geen goud, eens maar nooit meer, een hel, te vies voor woorden.

De focus van deze workshop lag in het bijzonder op intensiverende bijvoeglijke naamwoorden. Er zijn allerlei dimensies waarop iets (bijvoorbeeld een hotel) geëvalueerd kan worden, zoals schoonheid, kwaliteit of originaliteit. In de teksten van de studenten bleken vooral woorden voor te komen die de schoonheid evalueerden: de hotelkamer was mooi dan wel lelijk (of vies). Buiten de woorden die de studenten nu al in hun verhaaltjes hadden gebruikt, bevat onze taal nog veel meer woorden die de schoonheid van een object kunnen duiden. Daarom werd een nieuwe opdracht gegeven.

Dit is een non-stop-writing-task: schrijf in één minuut zoveel mogelijk evaluatieve bijvoeglijke naamwoorden op die je kunt gebruiken om de schoonheid (of lelijkheid) van een object te duiden. Dit mogen zowel positieve als negatieve woorden zijn. Wissel na de minuut jouw vel met aantekeningen uit met je buurman of buurvrouw. Lees elkaars woorden en vul elkaars lijstje aan. Wellicht verzin je door het lezen van de woorden van je buur zelf weer allerlei nieuwe!

Het resultaat van deze taak was een enorme waslijst aan adjectieven die allemaal op de een of andere manier de schoonheid van een object evalueren. Direct ontsproot de discussie: de bedachte evaluatieve adjectieven zijn niet allemaal even krachtig. Mooi en lelijk staan qua sterkte niet op gelijke voet als prachtig en afschuwelijk. Op een schaal dienden de studenten te beoordelen hoe krachtig zij elk adjectief vonden. Deze werden opgedeeld in drie groepen: zwak, redelijk sterk en krachtig. In de meeste gevallen hadden de studenten de woorden in dezelfde groep zitten, hoewel er ook wat twijfelgevallen tussen zaten: geweldig, hoe sterk is zo’n woord nu? ‘Dat ligt er ook maar net aan wie het zegt’, merkte een student terecht op. ‘Sommige mensen noemen alles geweldig, te pas en te onpas, dan is het niet zo sterk meer.’

Gezien de leeftijd van de studenten (18-19 jaar) zou je kunnen verwachten dat er naast breed geaccepteerde intensiverende adjectieven ook originelere varianten van intensiveringen naar boven zouden komen.  Dit viel eigenlijk wel mee. Grotendeels werden ‘woordenboekwoorden’ genoemd die een overtreffende trap zijn van mooi en lelijk (denk aan prachtig, oogverblindend, beeldschoon en afzichtelijk, gruwelijk, rampzalig). Een enkele keer was een adjectief opgeschreven dat dankzij een voorvoegsel intensiverend werd; denk aan spuuglelijk. Dit woord vormde de aanleiding voor de laatste opdracht.

Voorvoegsels kunnen een adjectief tot een intensivering maken; zoals ‘spuuglelijk’. Maar niet alle voorvoegsels zijn bruikbaar bij alle adjectieven. Bedenk voorvoegsels die gebruikt kunnen worden om ‘zwakke’ adjectieven om te turnen in een intensiveerder. Wanneer zijn die voorvoegsels bruikbaar? Bij specifieke woorden? Of alleen bij positieve of alleen bij negatieve woorden?

Sommige voorvoegsels bleken multifunctioneel gebruikt te kunnen worden; al dan niet los of vast aan het daaropvolgende adjectief geschreven (super, reuze, kei). In de categorie ‘hardheid’ werd naast kei- ook steen- en rots- genoemd. Verwonderd ontdekten de studenten dat inderdaad niet alle voorvoegsels zomaar aan elk adjectief geplakt kunnen worden. Spuug- heeft niet veel toepassingsmogelijkheden: het woorddeel past eigenlijk alleen goed bij lelijk. Terwijl wonder- toch wel echt een positief adjectief nodig heeft. Veel voorvoegsels bleken vrij smerig van aard te zijn en ‘iets’ te zeggen over lichaamssappen: spuug-, kots-, pis-, stront-, bloed-. In veel gevallen zijn die woorddelen alleen van toepassing bij negatieve adjectieven, terwijl bloed- ook gebruikt wordt in positieve evaluaties (bloedmooi). Andere veelgebruikte voorvoegsels behoorden tot de categorie ziektes (tering-, tyfus, en andere ziektes) en lichaamsdelen (oog-, klote-, kut-).

De meest vreemde combinaties van voorvoegsels en adjectieven en van bijwoorden en adjectieven waren volgens de studenten mogelijk: kapot mooi, kutlelijk, ooglelijk (als reactie op oogverblindend?)  wreed leuk en hondsirritant. Of we hier te maken hebben met een generatiekloof tussen docent en student, of dat we hier een nieuwe trend signaleren waarmee we voorspellingen kunnen doen voor de toekomst, dat zou ik nog graag eens met collega’s en studenten willen uitzoeken.

Verwijzingen

  • Foolen, Wottrich & Zwets (2012). Emotieve intensiveerders in het Nederlands. Presentatie bij de Taalkunde in Nederland-dag 2012, Utrecht. abstracts [pdf]
  • Liebrecht, Hustinx & Van Mulken (te verschijnen). Waarom het glas toch echt half leeg is. Onderzoek naar de kracht van positieve en negatieve evaluaties. Studies in Taalbeheersing 4. abstracts [pdf]
  • Traugott & Trousdale (2010). Gradience, gradualness and grammaticalization. Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins.

Dit blogartikel verscheen ook op c.comm.

Share this on social networks

Leave a Reply