Persuasive communication

Centre for Language Studies | Faculty of Arts | Radboud University Nijmegen

Alles te weten maakt niet gelukkig

Elke week verschijnt op deze site een bijdrage van één van onze onderzoekers over communicatie in onderzoek en praktijk. Deze week: Margot Jager, nog 12 nachtjes tot haar promotie.

Nog 12 nachtjes slapen en dan is het zover. Ruim 5 jaar nadat ik begon als promovendus in het UMC Groningen mag ik op 24 februari mijn proefschrift verdedigen. De laatste dagen krijg ik steeds vaker vragen als: Heb je er zin in? Vind je het spannend? Ben je al helemaal voorbereid? Allemaal vragen die zo geformuleerd zijn dat een simpele ja of nee zou volstaan. Toch is mijn antwoord meestal “dat weet ik eigenlijk niet”. En zo is het ook. Ik weet niet of ik zin heb in een Aula vol dierbaren die naar mij kijken terwijl ik vragen moet beantwoorden van slimme mensen die daar goed over hebben nagedacht. Ik weet niet of ik goed voorbereid ben en hoe ik dat voor elkaar zou moeten krijgen. Gelukkig word ik na zo’n reactie meteen op weg geholpen: je moet ervan genieten, het is vooral een hele mooie en leuke dag. Helemaal niet nodig om gespannen te zijn of je tot in de puntjes voor te bereiden, jij weet uiteindelijk het meest over jouw onderzoek. Dat is fijn, ze accepteren dat ik het niet weet en helpen me bij het vinden van een antwoord.

Je kunt je misschien voorstellen dat vragenstellers een ‘weet ik niet’-reactie niet altijd op prijs stellen. Als de cassiere vraagt “wilt u het bonnetje mee?” wordt het toch wat ongemakkelijk wanneer de klant antwoordt dat hij dat niet weet. Hetzelfde geldt voor vragen waarop de ander geacht wordt het antwoord te weten zoals “hoe heet jouw zus?” of nog erger “hoe heet jij?” Er zullen ongetwijfeld vraagtekens worden gezet bij de mentale gesteldheid van degene die hierop reageert met “ik weet het niet”. Op andere vragen is het niet weten van een antwoord meer legitiem: “heb je volgende week tijd om naar de bioscoop te gaan?” of “wat stond er in dat rapport?” Toch zal de antwoorder zich in dit soort gevallen verantwoorden voor het uitblijven van een antwoord op de vraag: “ik weet het niet, ik kijk straks even in mijn agenda” of “ik weet het niet, want ik heb nog geen kans gehad om het te lezen”. Hiermee verantwoorden we ons voor ons gebrek aan kennis en tegelijkertijd laten we zien dat we de gevraagde informatie wel wíllen maar simpelweg niet kúnnen geven.

 

In een andere context, en zeker wanneer een verantwoording ontbreekt, kan een ‘weet ik niet’-reactie op een vraag wel degelijk als een teken van onwil worden geïnterpreteerd.  Een verdachte die wordt ondervraagd door een politierechter zal wellicht niet alle vragen willen beantwoorden, omdat het geven van antwoorden als bewijs kan worden gebruikt voor zijn veroordeling. Voor de rechter is het de kunst om toch zoveel mogelijk informatie aan de verdachte te ontfutselen.

Ook in therapeutische interactie is het vaak de therapeut die de vragen stelt die de cliënt geacht wordt te beantwoorden. In één van de hoofdstukken in mijn proefschrift beschrijf ik hoe therapeuten reageren op ‘weet ik niet’-reacties van hun cliënten, in dit geval adolescenten met ernstige emotieregulatie-problematiek. Het dilemma voor de therapeut is of zij het antwoord van haar cliënt moet behandelen als een legititiem teken van onwetendheid of als een teken van weerstand. Is het dat je de vraag niet kán beantwoorden of dat je de vraag niet wíl beantwoorden? Het blijkt dat therapeuten meestal uitgaan van het eerste: ze accepteren de reactie van de cliënt als antwoord en stellen een andere vraag, ze herformuleren hun oorspronkelijke vraag, ze doen een suggestie voor een mogelijk antwoord of ze geven de jongere aanwijzingen om toch een antwoord op de vraag te vinden. Slechts heel af en toe beschuldigen ze de cliënt van onwil om de vraag te beantwoorden met meta-communicatieve reacties als “dat zeg je wel heel snel, neem je ook niet de tijd om er even over na te denken”.

Dus wanneer is het nu wel geaccepteerd om iets niet te weten en wanneer niet? Wat zou er gebeuren als ik 24 februari op de vraag van één van mijn opponenten zou reageren met “ik weet het niet”. Zou hij dat accepteren? Wat zou zijn volgende interactionele move zijn? Word ik aangesproken op mijn antwoord, stelt hij de vraag opnieuw, stelt hij een andere vraag of gaan we gewoon verder naar de volgende opponent? Ik weet het antwoord op al deze vragen niet en om erachter te komen kan ik maar één ding doen… nu alleen nog even de moed verzamelen.

Leave a Reply